Benigne hematologie

H
Arteriële Vaatocclusie

augustus 2005

10x10.gif (821 bytes)
10x10rood.gif (47 bytes) diagnostiek
kliniek
Anamnese en lichamelijk onderzoek.


aanvullende diagnostiek
- Bij verdenking cardiale emboliebron cardiologisch onderzoek.
- Arteriële angiografie.
- Onderzoek naar comorbiditeit als risicofactor.
- Bij patiënten jonger dan 45 jaar en ontbreken van verklarend risicoprofiel onderzoek
naar hyperhomocysteïnemie.

10x10rood.gif (47 bytes)

therapie
Indien geen thrombectomie of embolectomie mogelijk is, lokale fibrinolytische therapie in overleg met de vaatchirurg. Dat is in principe mogelijk bij acute thrombose van de arteria femoralis superficialis c.q. van het popliteale traject met een ischemietijd niet langer bestaand dan twee weken, acute thrombose van de arteriae iliacae, enkelzijdig, dubbelzijdig of van het aorto-iliacale traject en acute thrombose van de arteria renalis, arteria subclavia of brachialis. Continue infusie via intra-arteriële catheter 10000 E streptokinase in 10 ml NaCl 0.9% à 1 uur. Na opheffen obstructie direct overgaan op therapeutische heparinisatie (zie diepe veneuze thrombose).


Controle

Vooraf en 12 uur na aanvang fibrinogeen bepalen. Bij daling van het fibrinogeen-gehalte < 1.0 gr/l de streptokinase dosering halveren en 6 uur nadien wederom fibrinogeen bepalen (Clauss techniek).
Het resultaat van de behandeling wordt gecontroleerd middels echo duplex doppler onderzoek. Het eindresultaat wordt vastgelegd middels angiografie. Bij onvoldoende lysis kan de dosering verhoogd worden tot 20000 E streptokinase per uur.


Nabehandeling en secundaire profylaxe
Ascal 2 dd 100 mg overwegen.
Alternatief: clopidogrel 1 dd 75 mg.
            

© VU medisch centrum - afdeling hematologie   11/08/05