|
E |
|
| E1 | Hemofilie A | |
| E2 | Hemofilie B | |
| E3 | Ziekte van Von Willebrand | |
| E4 | Uremische thrombocytopathie | |
| E5 | Leverinsufficiëntie | |
| E6 | Diffuse intravasale stolling | |
| E7 | Vitamine-K deficiëntie | |
| E1 Hemofilie A |
| Diagnostiek | f VIII
stolactiviteit. Vraag waarde aan patiënt! Vraag diagnose kaart; overleg met behandelaar. |
|||
| Therapie | | als er bekende,
adequate reactie is op DDAVP dan zo
mogelijk: DDAVP 0.3 microg./kg in 100 ml NaCl 0.9% in 30 min. i.v. of OctostimR neusspray 2 puffs à 150 microg. (voor volwassenen!) per neusgat. Combineer altijd met tranexaminezuur 15 mg/kg i.v. of oraal, elke 6 uur voor duur van bloeding of tot wondgenezing. |
||
| | f VIII concentraat
(zie daar). 1 U/kg geeft 2% stijging. |
|||
| Dosering in U/kg gebaseerd op ernstige hemofilie | ||||
| levensbedreigende bloeding | 50 | 25 | ||
| ernstige bloeding | 30 | 15 | ||
| lichte bloeding of ingreep | 20 | 10 | ||
| 1e gift | vervolg giften per 12 uur |
|||
| Overleg altijd met hematoloog. | ||||
| E2 Hemofilie B |
| Diagnostiek | f IX stolactiviteit. Vraag waarde aan patiënt! Vraag diagnose kaart; overleg met behandelaar. |
|||
| Therapie | factor
IX concentraat
(zie daar). 1 U/kg geeft 1% stijging. |
|||
| Dosering in U/kg gebaseerd op ernstige hemofilie | ||||
| levensbedreigende | 100 | 50 | ||
| ernstige | 60 | 30 | ||
| lichte bloeding of ingreep | 40 | 20 | ||
| 1e gift | vervolg giften per 24 uur |
|||
| Overleg altijd met hematoloog. | ||||
| E3 Ziekte van Von Willebrand |
augustus
2005 |
| Diagnostiek | Bloedingstijd, f VIII
stolactiviteit, Von Willebrandfactor. Vraag waarden aan patiënt! Vraag diagnose kaart; overleg met behandelaar. |
|
| Therapie | | DDAVP brengt bloedingstijd en
eiwitten vaak op acceptabel niveau. Als er bekende, adequate reactie is op DDAVP dan zo mogelijk: DDAVP 0.3 microg./kg in 100 ml NaCl 0.9% in 30 minuten i.v. of OctostimR neusspray 2 puffs à 150 microg. (voor volwassenen!) per neusgat. |
| | alleen bij uitzondering, Von Willebrand factor (zie daar). | |
| Dosering in U/kg: 50 per 12 à 24 uur op geleide van bloedingstijd en f VIII niveau. | ||
| | altijd: tranexaminezuur 15 mg/kg i.v. of oraal, elke 6 uur voor duur van bloeding, of tot wondgenezing. | |
| Overleg altijd met hematoloog. | ||
| E4 Uremische thrombocytopathie |
| Diagnostiek | Suggestief is verlengde
bloedingstijd meestal zonder
gestoorde bloedplaatjesaggregatie. Thrombinetijd vaak verlengd. Overige stoltijden als regel normaal. |
|
| Therapie | | dialyse. |
| | hematocriet corrigeren tot ≥ 0.35. | |
| | DDAVP 0.3 microg./kg in 100 ml NaCl 0.9% in 30 minuten i.v. | |
| | effect op bloedingstijd evalueren. | |
| E5 Leverinsufficiëntie |
| Diagnostiek | Suggestief is (sterk) verlengde PT, matig verlengde thrombinetijd en APTT. Verwarring met DIC gecombineerd met thrombocytopenie door splenomegalie is goed mogelijk. Onderscheid is, bij leverlijden, moeilijk tot niet te maken. | |
| Therapie | Stoltijden alleen bij bloedingen
corrigeren met fresh frozen plasma. Streven naar APTT ≤ 50 sec. (normaalwaarde < 32 sec.) Geen stollingsfactor-concentraten gebruiken. Thrombocytenconcentraten geven meestal weinig of geen opbrengst (splenomegalie!). |
|
| E6 Diffuse intravasale stolling |
| Diagnostiek | Suggestief is combinatie van
verlengde stoltijden, verlaagd fibrinogeen en thrombocytenaantal. Bij twijfel onderzoek na 12 à 24 uur herhalen, en aanvullen met AT III, D-dimeren etc. |
|
| In noodgevallen diagnostiek doen met APTT, PT, aantal thrombocyten, fibrinogeen en perifere bloedstrijk. Min of meer normale waarden sluiten ernstige DIC uit. | ||
| Therapie | | oorzaak verhelpen: antibiotica, circulatieherstel, etc. |
| | APTT (normaalwaarde 32 sec.) rond
11/2 x normaal houden door fresh frozen plasma. |
|
| | bij ernstige bloedingsneiging thrombocytenconcentraten geven. | |
| | alleen bij stabiele chronische
DIC is heparinisatie (starten met 15000 E per 24 uur) te overwegen. Bijna uitsluitend geïndiceerd bij sommige maligniteiten. |
|
| | alleen in uiterste nood bij zeer
ernstige bloedingsneiging en zeer laag fibrinogeen is tranexaminezuur te overwegen. Kort, minder dan 24 uur, geven. Dosering: 4 dd 1 gr i.v. |
|
| E7 Vitamine-K deficiëntie |
| Diagnostiek | Suggestief is in verhouding sterk
verlengde prothrombinetijd, minder sterk verlengde of normale APTT. Overige stoltijden en fibrinogeen normaal. |
|
| Preventie | | Dagelijkse behoefte vitamine K:
ongeveer 1 microg./kg. In praktijk 2 x per week 5 mg oraal of i.v. (of s.c.) geven. Preventie is geïndiceerd bij: |
| | starvation | |
| | malabsorptie b.v. door cholestasis, pancreatitis, darmresectie. | |
| | intraveneuze voeding. | |
| | gebruik van breedspectrum antibiotica per os. | |
| | neonaten: aangepast doseringsschema! | |
| Therapie | Als er geen indicatie is voor
antistollingstherapie, éénmaal 10 mg vitamine K, daarna als bij preventie als er indicatie voor is |
|
| Toediening van vitamine K |
Wijze van toediening heeft
nauwelijks effect op snelheid van werken. Effect op stolniveau van factor II, VII, IX en X begint 3 uur na toediening. Maximale effect 6 à 8 uur na toediening. Zo mogelijk oraal geven (druppels op klontje suiker: 1 dr. Konakion = 1 mg vit.K). Zonodig bijv. bij cholestasis, intraveneus geven (Konakion in 1 ml flacon met 2 mg of 10 mg vitamine K). Dosering verdunnen tot minimaal 10 ml (met NaCl 0,9%) en langzaam geven. Cave hypotensie, anafylaxie bij i.v. gebruik. |
|
|
|
|
© VU medisch centrum - afdeling hematologie 10/08/05 |