D |
september 2008 |
|
|
|
|
|
definitie |
| Geïsoleerde verlaging van trombocyten < 150 x 109/l. | |
| oorzaak | |
| - | Aanmaakstoornis |
| - | Verdunning door transfusies |
| - | Distributiestoornis |
| - | Perifeer verbruik |
| diagnostiek | |
| a | Pseudo-trombocytopenie uitsluiten door
telling in citraatbloed of bekijken van perifeer bloedstrijkje afgenomen door vingerprik. |
| b | Verdunning uitsluiten door transfusiegeschiedenis te bekijken. |
| c | Distributiestoornis uitsluiten door palpatie miltstreek. |
| d | Beenmergonderzoek teneinde andere oorzaken uit te sluiten. |
| e | Indien er sprake blijkt van perifeer verbruik: |
| - | onderzoek verrichten naar diffuse intravasale stolling: PT, APTT, fibrinogeen |
| - | onderzoek verrichten naar TTP: reticulocyten, LDH, bloedstrijkje op fragmentocyten |
| - | onderzoek verrichten naar HITT bij heparine gebruik (zie aldaar) |
| - | bepalen of medicatie verantwoordelijk kan zijn |
| - | SLE en rheumaserologie bij klinische verdenking |
| De diagnose auto-immuun thrombocytopenie (AITP) wordt gesteld door uitsluiting van andere oorzaken. Daarvoor is diagnostiek genoemd onder a t/m e nodig. Diagnostiek naar trombocyten-geassocieerde immuunglobulines ("antistoffen tegen thrombocyten") is niet bijdragend daar het de diagnose AITP niet bewijst (bij aantoonbare antistoffen) en ook niet uitsluit (bij afwezigheid van antistoffen). |
|
| therapie | |
| a | Bij aanmaakstoornis zonodig thrombocytenconcentraten. |
| b | Bij verdunning transfusiebeleid aanpassen (zie acute massale transfusie). |
| c | Bij distributiestoornis in principe geen
therapie mogelijk, behalve splenectomie. In geval van ernstige bloeding is wellicht kortdurend effect te verkrijgen met trombocytenconcentraten. |
| d | Bij auto-immuun thrombocytopenie: alleen
behandelen als het aantal bloedplaatjes constant < 30 x 109/l is en/of er klinische redenen zijn (bloedingen, ingrepen). Streven naar bloedplaatjes aantal > 30 x 109/l. |
| Eerstelijnsbehandeling: corticosteroïden | |
| - | Dexamethason 40 mg/dag, gedurende 4 dagen of |
| - | Methylprednisolon 15 mg/kg i.v. in 15 minuten gedurende 3 opeenvolgende dagen. |
| - | Effect treedt in het algemeen pas op na minimaal 5 dagen. Bij minimale respons of een korte responsduur prednison (zie onder). |
| - | Prednison 1 mg/kg/dag gedurende 2 à 4 weken. Bij effect dosis met 5 mg per 2 weken verlagen. |
| Tweedelijnsbehandeling: | |
| - | Anti-CD20 (rituximab) 375 mg/m2, dag 1 en 8. Indien na 2 weken geen respons, nogmaals 2 giften of |
| - | Splenectomie |
| Bedenk; voor start aCD20 vaccineren. | |
| Derdelijnsbehandeling: | |
| - | Danazol 4 dd 200 mg oraal. Bij vrouwen: staken bij stemverlaging. |
| - | Azathioprine 100 mg per dag oraal, dosis aanpassen tot granulocytenaantal ± 1 x 109/l. |
| - | Cyclosfosfamide 50 - 100 mg per dag oraal, dosis aanpassen granulocytenaantal ± 1 x 109/l. |
| - | In geval van bloedingen of noodzaak tot operatief ingrijpen normaal immuunglobuline 6% voor i.v. gebruik: 1 gr/kg/dag gedurende 2 dagen. In geval van bloedingen trombocytentransfusie in aansluiting op immuunglobulinen teneinde trombocytenopbrengst te bewerkstelligen. |
| e | Bij AITP en bij andere oorzaken van perifeer
verbruik zoals DIC, sepsis, TTP is van thrombocytentransfusies weinig opbrengst te verwachten. Alleen geïndiceerd in grote nood. |
| f | Ondersteunend: tranexaminezuur (Cyklokapron®) 4 dd 25 mg/kg oraal of 10 mg/kg i.v. |
| | Staken van poliklinische controle |
| Bij AITP ontslag met instructie en nummer waar dienstdoende hematoloog te bereiken is, nadat trombocytenaantal 2 jaar na therapie stabiel is. | |
| AITP in zwangerschap | |
| Indien toevalligerwijs tijdens de zwangerschap
een trombocytenaantal wordt gevonden tussen 70 - 200 x 109/l is geen diagnostiek of behandeling
nodig. Indien er een trombocytenaantal wordt gevonden < 70 x 109/l of als er een bekende AITP bestaat: Diagnostiek als boven beschreven (denk specifiek aan (pre)-eclampsie, HELPP-syndroom en acute leveratrofie). Behandeling met methylprednisolon (bij respons eventueel eens per 2 à 4 weken herhalen), chronisch prednison oraal of immuunglobuline i.v. (bij respons eens per 3 à 4 weken herhalen) zoals beschreven. Streven naar trombocytenaantal > 30 x 109/l; rond partus > 50 x 109/l. Keuze is afhankelijk van kans op preeclampsie, en duur van graviditeit. Indien snel effect gewenst is bij partus: immuunglobuline. Bestaan van AITP alleen is geen reden voor sectio wel is terughoudendheid met kunstverlossingen geïndiceerd. Er is alleen een indicatie voor thrombocytenbepaling bij het kind na de partus. |
|
|
|
© VU medisch centrum - afdeling hematologie 17/09/08 |