|
|
|
|
|
Denk
aan een acute transfusiereactie bij de volgende symptomen tijdens of
binnen 6 uur na een transfusie van een bloedprodukt |
|
|
temperatuurstijging
> 2° C |
|
|
koude
rillingen |
|
|
tachycardie,
hypotensie, anurie |
|
|
benauwdheid,
ademhalingsproblemen |
|
|
onrust,
pijn op de borst/lendenen |
|
|
symptomen
van allergie |
|
|
|
|
|
Bij
(vermoeden van) een acute transfusiereactie altijd: |
|
- |
Transfusie
direct stoppen door een Kocher op het infuussysteem te zetten. |
|
- |
Informeer
arts. Deze besluit volgens welk protocol er verder wordt gehandeld. Zie
onderstaand overzicht. |
|
- |
Controleren
of het bloedprodukt voor de betreffende patiënt bedoeld is. Bij een
foutieve erythrocytentransfusie het protocol volgen onder E4 (acute
hemolytische reactie). |
|
|
|
|
|
Protocollen voor acute transfusiereacties |
|
E2 |
milde
reactie |
|
E3 |
ernstige
niet-hemolytische koortsreactie |
|
E4 |
acute
hemolytische reactie |
|
E5 |
transfusion
related acute lung injury (TRALI) |
|
E6 |
ernstige
allergische reactie |
|
|
|
| Nota bene |
|
Koorts
met minder dan 2°
C temperatuurstijging is niet gedefinieerd als transfusiereactie, indien
dat het enige symptoom is. |
|
|
|
|
|
Naast
de acute transfusiereacties zijn er bijwerkingen van transfusies die zich
op langere termijn openbaren. |
|
|
|
|
|
Protocollen voor niet-acute bijwerkingen van
transfusies |
|
E7 |
Uitgestelde
hemolytische transfusiereactie |
|
E8 |
Post
transfusionele purpura (PTP) |
|
E9 |
Transfusion
associated graft versus host disease (TA-GvHD) |
|
E10 |
Virus-
of parasietenoverdracht |
|
|
|
|
|
|
| Symptomen |
|
(tijdens
aansluiting of binnen 6 uur na transfusie): |
|
|
misselijk |
|
|
jeuk |
|
|
huiduitslag
(o.m. urticaria) |
|
|
temperatuurstijging
tot 2° C gecombineerd met één of meerdere, eerder genoemde, symptomen |
|
|
|
| Oorzaak |
|
allergenen,
cytokines in het bloedprodukt. |
|
|
|
| Protocol |
|
Directe
handelingen: |
|
|
Transfusie
direct stoppen door een Kocher op het infuussysteem te zetten. |
|
|
Patiënt
niet alleen laten. |
|
|
Controleren
of het bloedprodukt voor de betreffende patiënt bedoeld is. Bij een
foutieve erythrocytentransfusie het protocol volgen onder F4 (acute
hemolytische reactie). |
|
|
Naald in
situ laten en het infuussysteem door een nieuwe vervangen. Overgaan op
0,9% NaCl-oplossing of 0,65% NaCl-oplossing, op waaksnelheid. |
|
|
Overleggen
met een arts. Deze dient te
overwegen de patiënt antihistaminicum te geven (voor volwassenen:
clemastine, 2 mg i.v.). |
|
|
|
| Vervolgbeleid |
|
Transfusie
kan doorgang vinden wanneer de patiënt geregeld wordt gecontroleerd.
Alleen erythrocytenconcentraten mogen daarbij voor een tweede keer worden
aangeprikt. |
|
|
Bij
klinische achteruitgang, transfusie stoppen en overgaan op een ander
protocol (F3, F4, F5 of F6). |
|
|
Reactie
noteren in patiëntstatus. |
|
|
Als
de complicatie verdwenen is, kunnen verdere transfusies doorgang vinden. |
|
|
|
| Preventie |
|
Bij
herhaalde reacties uit deze categorie, dient de patiënt preventief
antihistaminicum (voor volwassenen: clemastine, 2 mg i.v.) te krijgen vóór
transfusie. |
|
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Registreren |
|
|
|
|
|
|
| Symptomen |
|
koude
rillingen |
|
|
lendenpijn |
|
|
temperatuurstijging
> 2° C |
|
|
hypotensie |
|
|
tachycardie |
|
|
oligurie-anurie |
|
|
tekenen
van diffuse intravasale stolling |
|
|
géén
tekenen van hemolyse |
|
|
|
| Oorzaken |
|
bacteriële
besmetting van het bloedprodukt, bacteriële toxines in het bloedprodukt,
allo-antistoffen bij patiënt tegen
leukocyten of thrombocyten of de aanwezigheid van cytokines in het bloedprodukt.
Vaak is de oorzaak niet duidelijk. |
|
|
|
| Protocol |
|
Directe
handelingen: |
|
|
Transfusie
direct stoppen door een Kocher op het infuussysteem te zetten. |
|
|
Patiënt
niet alleen laten. |
|
|
Arts
erbij (laten) halen. |
|
|
Controleren
of het bloedprodukt voor de betreffende patiënt bedoeld is. Bij een
foutieve erythrocytentransfusie het protocol volgen onder E4 (acute
hemolytische reactie). |
|
|
Indien
bij erythrocyten-transfusie hemolyse niet kan worden uitgesloten, het
protocol volgen onder E4 (acute hemolytische reactie). |
|
|
Naald in
situ laten en het infuussysteem door een nieuwe vervangen. Overgaan op
0,9% NaCl-oplossing of 0,65% NaCl-oplossing op waaksnelheid. |
|
|
Indien
bacteriële besmetting waarschijnlijk is, behandelen als sepsis met
gram-positieve én gram-negatieve bacteriën nadat bloedkweek is
afgenomen. |
|
|
Indien
oorzaak onduidelijk is supportive care. Eventueel koude rillingen
verminderen met morfine i.v. (voor volwassenen 7,5 - 10 mg). |
|
|
|
| Vervolgbeleid |
|
Bloedkweek
van de patiënt afnemen uit andere arm en insturen. |
|
|
Dienstdoende
hematoloog waarschuwen (*98 248 of via bloedtransfusiedienst). |
|
|
Bloedprodukt
met daaraan het infuussysteem terug naar de bloedtransfusiedienst brengen. |
|
|
Reactie
noteren in patiëntstatus. |
|
|
De patiënt
kan alleen opnieuw worden getransfundeerd in overleg met dienstdoende
hematoloog. |
|
|
|
| Preventie |
|
Bij
herhaalde transfusiereacties van deze categorie zonder hypotensie, rijst
de verdenking dat de patiënt antistoffen heeft tegen leukocyten. In het
vervolg kan premedicatie met een anti-histaminicum (b.v. clemastine) geïndiceerd
zijn. Ook kan de patiënt antistoffen hebben gericht tegen thrombocyten.
Dan zijn HPA-getypeerde thrombocytenconcentraten in het vervolg geïndiceerd. |
|
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Bloedkweek
van het bloedprodukt insturen. |
|
|
Registreren. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Symptomen |
|
koude
rillingen |
|
|
lendenpijn |
|
|
pijn op
de borst |
|
|
misselijk/braken |
|
|
benauwdheid |
|
|
icterus |
|
|
donkere
of rode urine |
|
|
koorts |
|
|
hypotensie |
|
|
tachycardie |
|
|
oligurie |
|
|
tekenen
van diffuse intravasale stolling |
|
|
|
| Oorzaak |
|
Meestal betreft het een transfusie met
AB0-incompatibiliteit of allo-antistoffentegen erythrocyten. Dit protocol onderzoekt tevens of er sprake is
van een bacteriële besmetting van het bloedprodukt. |
|
|
. |
| Nota
bene |
|
Hemolyse kan ook worden geïnduceerd door medicijnen, hypotoon infuus of
verwarming van het
erytrocytenconcentraat |
|
|
|
| Protocol |
|
Directe handelingen: |
|
|
Transfusie direct stoppen door een
Kocher op het infuussysteem te zetten. |
|
|
Controleren of dit produkt
voor deze patiënt is bedoeld. |
|
|
Arts
erbij (laten) halen. |
|
|
Patiënt
niet alleen laten. |
|
|
Naald
in situ laten en het
infuussysteem door een nieuwe vervangen. Overgaan op 4,2%
Na-bicarbonaatoplossing of 0,65% NaCl-oplossing op klinisch gewenst
snelheid. |
|
|
Bloeddruk
en pols monitoren en eventuele hypotensie corrigeren. |
|
|
Urineproductie
waarborgen (bv. mannitol 20% 100 ml in 5 minuten). Eventueel furosemide
toedienen (80-120 mg i.v.). Indien urineproductie niet op gang
komt, nogmaals een mannitolinfuus (in totaal nooit meer dan 500 ml 20%).
Indien geen succes, behandelen als acute tubulaire necrose. Hoeveelheden
voor volwassenen! |
|
|
Bloedkweek
en nieuw kruisbloed afnemen uit andere arm. |
|
|
Bloedkweek insturen. |
|
|
Indien
bacteriële besmetting waarschijnlijk is, behandelen als sepsis met
gram-positieve én gram-negatieve bacteriën. |
|
|
Patiënt
controleren op tekenen van diffuse intravasale stolling
en zo nodig daarvoor behandelen. |
|
|
Bloedprodukt
met daaraan het infuussysteem en nieuw kruisbloed naar de
bloedtransfusiedienst brengen. |
|
|
|
| Vervolgbeleid |
|
Dienstdoende
hematoloog waarschuwen (*248 of via de bloedtransfusiedienst). |
|
|
Patiënt
controleren op diffuse intravasale stolling. |
|
|
Reactie
noteren in patiëntstatus. |
|
|
Hb, LDH,
bilirubine, haptoglobine, kreatinine bepalingen insturen. Deze vervolgen
in de tijd. |
|
|
De
patiënt kan alleen opnieuw worden getransfundeerd in overleg met
dienstdoende hematoloog. |
|
|
Bij
een incompatibiliteits-vondst, na 10 dagen een nieuwe Type en Screen
insturen. |
|
|
|
| Preventie |
|
Standaard uitgebreid compatibiliteitsonderzoek bij het selecteren van een
bloedprodukt voor een patiënt op de bloedtransfusiedienst. Dit is alleen
sluitend indien administratie, etikettering en identificatie van de patiënt
tevens juist verloopt. |
|
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Volledig
compatibiliteitsonderzoek met oud en nieuw kruisbloed van de patiënt
(Type en Screen en volledige kruisproef). |
|
|
Patiënt
controleren op sensibilisatie van zijn/haar erythrocyten (directe Coombs). |
|
|
Controle
van bloedprodukt (AB0/Rh bepaling en directe Coombs). |
|
|
Bloedkweek
van het bloedprodukt insturen. |
|
|
Registreren |
|
|
|
|
|
|
| Symptomen |
|
(doorgaans
tijdens of binnen 6 uur na transfusie): |
|
|
acute
respiratoire insufficiëntie (niet cardiogeen) |
|
|
longoedeem |
|
|
hypotensie |
|
|
eventueel
koorts |
|
|
|
| Oorzaak |
|
Antistoffen
in het bloedprodukt die reageren met leukocyten van ontvanger. Echter
niet altijd zijn er antistoffen aantoonbaar. |
|
|
|
| Protocol |
|
Directe
handelingen: |
|
|
Transfusie
direct stoppen door een Kocher op het infuussysteem te zetten. |
|
|
Controleren
of dit produkt voor deze patiënt is bedoeld. |
|
|
Patiënt
niet alleen laten. |
|
|
Arts
erbij (laten) halen. |
|
|
Naald
in situ laten en het
infuussysteem door een nieuwe vervangen. Overgaan op 0,9% NaCl-oplossing
of 0,65% NaCl-oplossing op klinisch gewenste snelheid. |
|
|
Intensieve
supportive care, zonodig beademen. |
|
|
|
| Vervolgbeleid |
|
Cardiogeen
longoedeem uitsluiten. |
|
|
Plasmaferese-optie
bespreken met de dienstdoende hematoloog (*98 248 of via de
bloedtransfusiedienst). |
|
|
Bloedkweek
van de patiënt afnemen uit andere arm en insturen. |
|
|
Bloedprodukt
met daaraan het infuussysteem terug naar de bloedtransfusiedienst brengen. |
|
|
Reactie
noteren in patiëntstatus. |
|
|
De
patiënt kan alleen opnieuw worden getransfundeerd in overleg met
dienstdoende hematoloog. |
|
|
|
| Preventie |
|
Bloedbank
Sanquin test de bloeddonor op HLA-antistoffen en granulocyt-specifieke
antistoffen. Wanneer antistoffen aantoonbaar zijn of een donatie van
dezelfde donor bij een eerdere melding betrokken is geweest, wordt de
donor definitief uitgesloten voor bloeddonatie. |
|
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Bloedkweek
van het bloedprodukt insturen. |
|
|
Overleggen
met de Bloedbank Sanquin over het testen van de bloeddonor op
HLA-antistoffen. |
|
|
Registreren. |
|
|
|
|
|
|
| Symptomen |
|
(per
acuut): |
|
|
shock |
|
|
acute
respiratory distress syndrome (ARDS) |
|
|
glottisoedeem |
|
|
|
| Oorzaak |
|
anafylactische
shock vaak op IgA in het produkt door een IgA-deficiënte ontvanger.
Oorzaak kan niet altijd worden achterhaald. Glottisoedeem kan ook geïsoleerd
voorkomen als gevolg van allergie op andere component in een bloedprodukt
dan IgA. |
|
|
|
| Protocol |
|
Directe
handelingen: |
|
|
Transfusie
direct stoppen door een Kocher op het infuussysteem te zetten. |
|
|
Patiënt
niet alleen laten |
|
|
Arts
erbij (laten) halen. |
|
|
Controleren
of dit produkt voor deze patiënt is bedoeld. |
|
|
Naald in
situ laten en infuussysteem door een nieuwe vervangen, overgaan op
0,9% NaCl-oplossing, 0,65% NaCl-oplossing op klinische gewenste snelheid. |
|
|
Eventuele
shock bestrijden. |
|
|
Antihistaminicum
(voor volwassenen: clemastine, 2 mg i.v. eventueel na 15 minuten herhalen,
injectie langzaam toedienen). Indien nodig adrenaline. |
|
|
Bij
glottisoedeem intuberen. |
|
|
|
| Vervolgbeleid |
|
Dienstdoende
hematoloog waarschuwen (*98 248 of via bloedtransfusiedienst). |
|
|
Bij
shock, IgA-bepaling insturen. |
|
|
Bloedkweek
van de patiënt afnemen uit andere arm en insturen. |
|
|
Bloedprodukt
met daaraan het infuussysteem terug naar de bloedtransfusiedienst brengen. |
|
|
Reactie
noteren in patiëntstatus. |
|
|
De patiënt
kan alleen opnieuw worden getransfundeerd in overleg met dienstdoende
hematoloog. |
|
|
|
| Preventie |
|
IgA-deficiëntie
is een indicatie voor gewassen erythrocytenconcentraten en een absolute
contraindicatie voor plasma en plasmabevattende bloedprodukten. Dit geldt
ook voor albumine en plasmaeiwit fracties. |
|
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Bloedkweek
van het bloedprodukt insturen. |
|
|
Registreren |
| |
|
|
|
|
|
| Symptomen |
|
(enige dagen tot weken na
transfusie): |
|
|
icterus |
|
|
Hb-daling |
|
|
stijging bilirubine |
| |
|
stijging
LDH |
|
|
|
| Oorzaak |
|
Nieuw gevormde
allo-antistoffen bij ontvanger tegen erythrocyten of boostering van
niet eerder
aangetoonde antistoffen met een zodanig lage titer dat deze niet bij de
antistofscreening werden gedetecteerd.
In zeer uitzonderlijke gevallen kunnen ook allo-antistoffen van een
donor in een thrombocytenconcentraat of plasma, tegen erythrocyten van de ontvanger zo'n
reactie te weeg brengen |
|
|
|
| Protocol |
|
Hemolyse
door andere oorzaken uitsluiten, bijv. medicatie of hypotoon infuus. |
|
|
Nieuw
kruisbloed insturen naar de bloedtransfusiedienst na telefonisch overleg. |
|
|
Hb,
bilirubine en LDH vervolgen in de tijd. |
| |
|
Indien
noodzakelijk Hb corrigeren met nieuwe transfusie(s). |
|
|
Bij
(het vermoeden van) een dergelijke reactie is het noodzakelijk deze te
melden aan de dienstdoende hematoloog (*98 248 of via de
bloedtransfusiedienst) |
|
|
|
| Preventie |
|
Aangetoonde
antistoffen worden geregistreerd op de bloedtransfusiedienst zodat,
wanneer deze niet meer aantoonbaar zijn, er toch rekening mee gehouden kan
worden bij de selectie van een bloedprodukt. |
| |
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Controle
van het nieuwe en (indien nog aanwezig) oude kruisbloed op de aanwezigheid
van irregulaire erythrocyten antistoffen (Type en Screen en volledige
kruisproef). |
|
|
Patiënt
controleren op sensibilisatie van zijn/haar erythrocyten (directe Coombs). |
|
|
Registreren |
|
|
|
| |
|
|
| Symptomen |
|
(5 tot
10 dagen na transfusie): |
|
|
diepe
trombocytopenie |
| |
|
hemorrhagische
diathese |
|
|
|
| Oorzaak |
|
Patiënt
heeft antistoffen tegen getransfundeerde thrombocyten. Via complexen worden
de eigen thrombocyten van de ontvanger ook afgebroken. Dit treedt vrijwel
uitsluitend op bij vrouwen met één of meerdere graviditeiten in de
anamnese. |
|
|
|
| Protocol |
|
Voor
volwassenen: immunoglobuline 2 g/kg i.v. in 2 dagen toedienen. Eventueel
methylprednisolon of HPA-compatibele thrombocyten. |
|
|
Uitsluiten
van medicament- (heparine) geïnduceerde trombocytopenie. |
|
|
Bij (het
vermoeden van) een dergelijke reactie is het noodzakelijk deze te melden
aan de dienstdoende hematoloog (*98 248 of via de bloedtransfusiedienst).
Tevens met hem/haar de plasmaferese-optie bespreken. |
|
|
Aantonen
van auto- en allospecifieke thrombocyten antistoffen bij patiënt. Via de
bloedtransfusiedienst insturen. |
|
|
|
| Preventie |
|
In het
vervolg transfunderen met HPA-compatibele thrombocyten. |
|
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Registreren. |
|
|
|
|
|
augustus 2005 |
| Symptomen |
|
(enige dagen tot weken
na transfusie): |
|
|
Moeilijk te
onderscheiden van GvHD als gevolg van allogene beenmergtransplantatie: |
|
|
huidafwijkingen |
|
|
diarree |
|
|
koorts |
| |
|
pancytopenie |
|
|
leverfunctiestoornissen |
|
|
|
| Oorzaak |
|
immuuncompetente
lymfocyten uit een bloedprodukt worden door de ontvanger niet vernietigd en genereren een immuunreactie
tegen de ontvanger.Zeldzame bijwerking die met name wordt gezien bij
immuungecompromiteerde patiënten en bij onbestraalde transfusies tussen haplo-identieke individuen. Slechts
10% overleving, meestal met chronische GvHD. |
|
|
|
| Protocol |
|
Alle klassieke behandelingen van GvHD zijn tot heden ineffectief gebleken
voor TA-GvHD.
|
| |
|
Pancytopenie bestrijden. |
|
|
Melden aan de dienstdoende hematoloog
(*98 248 of via de
bloedtransfusiedienst). |
|
|
|
| Preventie |
|
Bestraling van
erythrocyten- en thrombocytenconcentraten voor bekende
risicogroepen: |
|
|
1 |
ontvangers met ernstige congenitale, gecombineerde immuundeficiëntie
(SCID) |
|
|
2 |
bij behandeling van ontvanger met antithymocytenglobuline, tot 6 maanden
na einde van de behandeling |
|
|
3 |
bij behandeling van ontvanger met fludarabine, 2-CDA of DCF, tot 12
maanden na einde van de behandeling |
|
|
4 |
celconcentraten die aan bloedverwanten worden gegeven (tot en met 3de
graads verwanten) |
|
|
5 |
intra-uterine transfusie |
|
|
6 |
prematuren < 1500 gram lichaamgewicht en/of jonger dan 32 weken
(graviditeit) |
|
|
7 |
HLA-getypeerde
thrombocyten concentraten |
|
|
8 |
patiënten die een autologe stamceltransplantatie ondergaan, rond het
moment van leucaferese en in de periode van neutropenie tijdens de
transplantatie periode. |
| |
|
9 |
patiënten die een allogene stamceltransplantatie ondergaan, vanaf het
moment van transplantatie tot 2 jaar erna. |
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Registreren. |
| |
|
|
|
|
|
| Incubatietijden |
|
Hepatitis B
±
6 weken (30 - 150 dagen) |
|
|
Hepatitis C
±
6 weken (30 - 200 dagen) |
|
|
HIV
vanaf 4 weken |
|
|
Malaria
4 - 10 dagen |
|
|
Lues
±
9 weken (4 - 20 weken) |
|
|
CMV
±
5 weken (3 - 6 weken) |
| Nota bene |
|
Deze
lijst is niet volledig |
| |
|
|
| Protocol |
|
Bij
(het vermoeden op) een besmetting dient direct contact opgenomen te worden
met de dienstdoende hematoloog (*98 248 of via de bloedtransfusiedienst).
Deze neemt direct contact op met de Bloedbank Sanquin om verdere
besmetting door dezelfde donor te voorkomen. Door snel te handelen kunnen
volgende besmettingen vaak worden voorkomen!!
Ook zal er
worden overlegd met de Bloedbank Sanquin over het opnieuw testen van de
donor teneinde zekerheid te verkrijgen over het vermoeden dat de
besmetting transfusie gerelateerd is.
|
|
|
|
| Preventie |
|
Bloedbank
Sanquin sluit bekende risicogroepen uit van donatie. |
|
|
Alle
donoren worden gescreend voor de volgende agentia: hepatitis B en C, HIV-1
en -2, HTLV I en II en Lues. |
|
|
Preventie
CMV overdracht door celconcentraten te filtreren in gevallen van: |
|
|
1 |
CMV negatieve
ontvangers van mogelijk CMV negatieve organen |
|
|
2 |
zwangeren |
|
|
3 |
intra-uterine
transfusies |
|
|
4 |
prematuren
< 1500 gram lichaamgewicht en/of jonger dan 32 weken (graviditeit) |
|
|
|
| Bloedtransfusiedienst |
|
Direct
overleg met Bloedbank Sanquin om eventuele andere produkten van dezelfde
donor terug te halen en te testen en de donor te testen. |
|
|
Registreren. |
| |
|
|