| Hemato-oncologie | |
D |
november 2009 |
| noodzakelijk onderzoek | |
| a | Lichamelijk onderzoek |
| - | Vastleggen van lever- en miltgrootte in centimeters onder de ribbenboog. |
| b | Morfologisch onderzoek |
| - | Bloed- en beenmergpreparaten voor MGG kleuring. |
| - | Beenmergbiopt (celrijkdom, fibrose). |
| c | Laboratoriumonderzoek |
| - | Hemogram (met reticulocyten, differentiatie), kreatinine, leverenzymen, LDH, urinezuur. |
| d | Cytogenetisch onderzoek |
| - | 3 ml beenmerg in heparine buizen voor karyotypering of FISH-onderzoek. 7 ml perifeer heparine bloed indien dry tap. |
| e | Moleculair biologisch onderzoek |
| - | tenminste 5 ml heparine bloed en 1 ml beenmerg in heparine-gecoate buizen voor PCR op BCR-ABL. |
| f | Research |
| - | overleg voor beenmergafname met J.Janssen (* 986220) of G. Ossenkoppele (* 986212). |
| aanvullend onderzoek | |
| a | HLA-typering |
| - | HLA-typering van patiënt (20 ml heparinebloed en 10 ml citraatbloed) en van eventuele sibs (30 ml heparinebloed) bij patiënten die in aanmerking komen voor allogene stamceltransplantatie. |
| diagnostische criteria | |
| Leukocytose met alle stadia van myeloïde reeks aanwezig (vooral myelocyten), Philadelphia-chromosoom en/of BCR-ABL positiviteit. Differentiaal-diagnoses: atypische CML, "myeloproliferatieve ziekte-unclassified", CMML. | |
| risico-scores | |
| Voor risico bepaling moet Sokal- en Euro- of Hasford score berekend worden. Gebruik daarvoor de volgende koppeling: http://www.hematologie.org/internet/medici/index.algemeen.htm |
|
| therapie chronische fase | |
| Aan alle patiënten wordt in chronische fase initieel conventionele, imatinib-gebaseerde behandeling aangeboden. Bij onvoldoende respons bij patiënten dient een allogene stamceltransplantatie, myeloablatief of non-myeloablatief, met stamcellen van een HLA-identieke donor te worden overwogen. Zie hiervoor de paragraaf "Respons-monitoring en frequentie daarvan", hieronder . | |
| Voor patiënten ≤ 65 jaar | |
| HOVON 78 In dit protocol wordt gerandomiseerd tussen imatinib 1 dd 800 mg versus imatinib 1 dd 800 mg plus twee achtereenvolgende kuren cytarabine. In beide studiearmen wordt imatinib gecontinueerd in dezelfde dosis van 1 dd 800 mg. |
|
| Voor patiënten ≥ 65 jaar | |
| Momenteel geen studie voor deze patiëntengroep. | |
| Voor patiënten buiten studieverband | |
| - | imatinib 1 dd 400 mg p.o. Indien granulocytopenie < 1 x 109/l en/of trombo's > 50 x 109/l optreedt tijdens behandeling met imatinib, stop imatinib tot granulocyten > 1.5 x 109/l en trombo's > 75 x 109/l en herstart imatinib 400 mg. Bij heroptreden granulocytopenie: voeg toe: |
| - | filgrastim 1 dd 300 µg s.c. |
| Indien symptomatische anemie optreedt tijdens behandeling met imatinib, voeg dan toe: | |
| - | erythropoëtine |
| doelen van therapie | |
| Bij behandeling met imatinib dienen de volgende doelen gehaald te worden: | |
| - | na 6 maanden tenminste een complete hematologische respons (CHR); |
| - | na 12 maanden tenminste een partiële cytogenetische respons (PCyR; < 35% Ph+); |
| - | na 18 maanden tenminste een complete cytogenetische respons (CCyR; 0% Ph+); |
| - | na 24 maanden tenminste een major moleculaire respons (MMoIR; > 3 log reductie t.o.v. diagnose; < 0.1%). |
| Als de doelen niet gehaald worden, dan dient mutatie-analyse van het BCR-ABL kinase domein verricht te worden als ook een plasmaspiegelbepaling van imatinib. Dit dient ook te geschieden bij verlies van een bereikte respons en bij een > 5-voudige toename van het BCR-ABL signaal, gemeten met een kwantitatieve PCR ook als het niveau dan nog onder 0.1% ligt. | |
| Indien de tot dan toe gebruikte dosis imatinib 1 dd 400 mg bedroeg en hierbij een mutatie wordt gevonden die gevoelig kan zijn voor een dosisverhoging, of een plasmaspiegel < 1000 ng/l dan kan gekozen worden uit de volgen opties: | |
| - | ophogen imatinib naar 1 dd 800 mg; |
| - | overgaan naar 2e generatie tyrosinekinaseremmer nilotinib 2 dd 400 mg of dasatinib 1 dd 100 mg. |
| Indien de tot dan toe gebruikte dosis imatinib reeds tenminste 1 dd 600 mg bedroeg en bij mutatie-analyse géén mutatie wordt gevonden of een mutatie anders dan T315l, dan overgaan op 2e generatie tyrosinekinaseremmer nilotinib 2 dd 400 mg of dasatinib 1 dd 100 mg. | |
| - | Indien er een T315l mutatie wordt aangetoond: allogene stamceltransplantatie. |
| Indien allogene stamceltransplantatie onmogelijk/ongewenst: experimentele therapie. | |
| Leukaferese | |
| - | Bij klinische verschijnselen van leukostase en/of zwangerschap. |
| acceleratie-fase | |
| Definitie | |
| Aanwezigheid van een van de volgende verschijnselen of bevindingen gedurende tenminste 1 maand onder adequate therapie: | |
| - | 15% ≤ blasten ≤ 30% in perifeer bloed of beenmerg; |
| - | basofielen > 20% in perifeer bloed of beenmerg; |
| - | ontstaan van nieuwe karyotypische afwijkingen tezamen met het Philadelphia-chromosoom, met uitzondering van -Y; |
| - | heroptreden van thrombocytose ≥ 1000 x 109/l nadat initiëel het thrombocytenaantaal genormaliseerd was; |
| - | heroptreden van progressieve splenomegalie na initiële normalisatie van de miltgrootte, ontstaan van thrombocytopenie (< x 100 x 109/l, niet gerelateerd aan therapie). |
| Therapie | |
| Starten met: | |
| - | imatinib 1 dd 600 mg p.o. |
| Intussen zoeken naar geschikte HLA-identieke donor: | |
| - | allogene stamceltransplantatie, indien de bovengenoemde therapie-doelen niet worden gehaald. |
| blastencrisis | |
| Definitie | |
| Aanwezigheid van een van de volgende verschijnselen of bevindingen: | |
| - | blasten > 30% in perifeer bloed of beenmerg |
| - | blasten + promyelocyten > 50% in beenmerg |
| - | extramedullaire blasten infiltraten of leukemische tumormassa's |
| Therapie | |
| Starten met: | |
| - | dasatinib 1 dd 100 mg p.o., inductie chemotherapie overwegen. |
| Vervolgens zo spoedig mogelijk allogene stamceltransplantatie indien patiënt geschikte kandidaat daarvoor is en er een HLA-identieke donor beschikbaar is. | |
| respons-criteria | |
| Hematologische respons | |
| Complete hematologische remissie: voldoen aan alle volgende criteria: | |
| - | Normalisatie van het leukocytenaantal < 10 x 109/l |
| - | In differentiatie ≤ 2% myelocyten en metamyelocyten, geen blasten, geen promyelocyten |
| - | Normaal thrombocytenaantal |
| - | Afwezigheid van alle klinische symptomen en tekenen van ziekte inclusief palpabele splenomegalie |
| Partiële hematologische remissie: | |
| - | Niet voldoend aan alle criteria van complete hematologische remissie bij leukocytenaantal ≤ 20 x 109/l |
| Falen: | |
| - | Leukocytenaantal > 20 x 109/l of progressie naar geaccelereerde fase of blastencrisis |
| Cytogenetische respons | |
| Tenminste 20 metafases dienen geanalyseerd te zijn door middel van conventionele cytogenetische analyse of 200 metafases/interfases door middel van FISH | |
| - | Compleet: Ph+ chromosomen = 0% |
| - | Partieel: Ph+ chromosomen > 0% en < 35% |
| - | Minimaal: Ph+ chromosomen ≥ 35% en < 100% |
| - | Afwezig: Ph+ chromosomen = 100% |
| - | Belangrijke ("major") respons: complete of partiele cytogenetische respons |
| Moleculaire respons | |
| - | Complete respons: geen BCR-ABL mRNA detecteerbaar met behulp van real-time kwantitatieve RT-PCR met een gevoeligheid van tenminste 1: 104,5 |
| - | Major respons: ≥ 1000-voudige(3 log) reductie van het bcr-abl signaal ten opzichte van het niveau bij diagnose en genormaliseerd naar dat van een gevalideerd huishoudgen (BCR, ABL of GUS). |
| - | Partiële respons: > 1 log afname van het BCR-ABL mRNA |
| - | Geen respons: < 1 log afname van het BCR-ABL mRNA |
| respons-monitoring | |
| Cytogenetisch onderzoek | |
| Eenmaal per half jaar tot bereiken van complete cytogenetische respons, daarna jaarlijks. | |
| Kwantitatieve RT-PCR op BCR-ABL mRNA | |
| Starten vanaf bereiken van complete cytogenetische respons, daarna elke 3 maanden. |
|
|
|
© VU medisch centrum - afdeling hematologie 16/11/09 |